DE SCHEIDINGSWEG
                                                   De juiste weg in de goede richting

 

 

 
 




   
14-08-2008 - Verlengingsverzoek niet snel toegewezen

Een verlengingsverzoek van de wettelijke alimentatietermijn van twaalf jaar (art. 1: 157 lid 5 BW) wordt niet snel toegewezen. De rechter oordeelt of de beëindiging voor de alimentatiegerechtigde ingrijpend is, en hanteert verder de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De Wet Limitering Alimentatie (WLA) is per 1 juli 1994 in werking getreden en in art. 1: 157 lid 4 BW is opgenomen dat de alimentatieplicht van rechtswege eindigt na het verstrijken van twaalf jaar. Gelet op de parlementaire geschiedenis is een verlenging van de twaalfjaarstermijn slechts mogelijk onder bijzondere omstandigheden. In de Memorie van Toelichting wordt hiervoor verwezen naar de wijziging van een overeenkomst met niet-wijzigingsbeding (art.1: 159 lid 3 BW): dat betekent dat verlenging alleen mogelijk is als het einde van de twaalfjaarstermijn in hoge mate onbillijk is voor de alimentatiegerechtigde en de gevolgen van de beëindiging ingrijpend zijn.

Uit de rechtspraak blijkt dat de omstandigheid dat de alimentatieplichtige voldoende draagkracht heeft om de alimentatie te blijven betalen, pas aan de orde komt als de alimentatiegerechtigde heeft aangetoond dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechter let op alle relevante omstandigheden en kent veel betekenis toe aan de vraag of de alimentatiegerechtigde voldoende pogingen heeft ondernomen om inkomsten uit arbeid te verwerven.

Enkele voorbeelden van gepubliceerde jurisprudentie waaruit blijkt dat een verlengingsverzoek niet snel wordt toegewezen:

Rechtbank `s Gravenhage (FA RK 05-4606): het verlengingsverzoek van de vrouw met een inkomensterugval van 50% was toch niet zo ingrijpend gezien de relevante omstandigheden van de vrouw. De vrouw heeft nimmer de zorg van de kinderen gehad, zij was 50 jaar toen partijen uit elkaar gingen en zij is in staat om haar verdiencapaciteit te benutten. Zij heeft dat niet gedaan, en de vrouw heeft haar levenstandaard ook niet aangepast.

Rechtbank Assen op 7 februari 2008 ( LJN BA 1323): hier oordeelde de rechter dat de vrouw geen deugdelijke poging heeft ondernomen om inkomsten te verwerven of haar kans daarop te vergroten. De vrouw heeft tevens de beschikking over een deel van de pensioen van de man, een AOW-uitkering en inkomsten uit aandelen. Verder beschikt zij over een vermogen van 350.000 euro.

Rechtbank Haarlem op 11 september 2007 (LJN BB4413): het verzoek van de vrouw tot verlenging van de onderhoudsplicht wordt afgewezen, omdat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om in eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet wordt op de omstandigheid dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding circa 50 jaar oud was en voor het huwelijk van partijen een zelfstandig leven heeft geleid en daarbij een goede vooropleiding heeft genoten, en een mavo- en havo-diploma Nederlands heeft behaald gedurende het huwelijk van partijen. Zij heeft in alle redelijkheid voldoende gelegenheid en mogelijkheden gehad om in Nederland een zelfstandig bestaan op te bouwen, en dit had ook van haar verlangd kunnen worden. De omvang van de werkzaamheden die de vrouw vanaf 1997 verricht, als kookmedewerkster, alwaar zij nog steeds werkt, de ene week acht uren en de andere week vier uren, en de daaruit gegenereerde inkomsten, kunnen niet geduid worden als een deugdelijke poging om dusdanige inkomsten te verwerven dat zij thans in haar eigen behoefte zou kunnen voorzien.

Rechtbank Zutphen (LJN BC 1758): de rechtbank wijst het verzoek tot verlenging af. De vrouw heeft een opleiding gevolgd tot `tarotkundige`, en deze keuze dient voor haar risico te blijven. Zij heeft zich laten leiden door haar passie en niet door enige verdiencapaciteit, dus mevrouw heeft onvoldoende pogingen ondernomen om inkomsten uit arbeid te verwerven.

Een geval waarin het verzoek wél werd toegewezen:

Rechtbank Haarlem (11 september 2007, LJN BB4413): de rechtbank acht een terugval in inkomen van 15% als ingrijpend voor de alimentatiegerechtigde. De rechtbank vergelijkt de situatie van de vrouw voor de datum van de beoogde beëindiging met die waarin de vrouw als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. Niet betwist is dat de vrouw voor de beoogde beëindiging een inkomen heeft van circa € 1.029,-- netto per maand. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag wat het inkomen van de vrouw na de beoogde beëindiging zal zijn. Vast is echter komen te staan dat de vrouw dan aangewezen zal zijn op een aanvullende WWB-uitkering. Op basis van de gegevens die de vrouw heeft overgelegd van de door haar in de maanden juli ontvangen voorlopige WWB-uitkering, gaat de rechtbank ervan uit dat het inkomen van de vrouw dan ca. € 872,-- netto per maand zal bedragen. Dit betekent dat het inkomen van de vrouw met een bedrag van € 157,-- netto per maand zal verminderen. Een dergelijke terugval van circa 15% acht de rechtbank voor de vrouw ingrijpend. (13 augustus 2008)

Redactie KSU, bronnen: jurisprudentie, wetten.nl.
Deze pagina afdrukken

 
 

DE SCHEIDINGSWEG
De juiste weg in de goede richting

Scheiding- en bemiddelingskantoor
Paardebloem 21
5913 DP  Venlo

T
M
F
077 3523359
06 53264978
077 3523515

info@scheidingsweg.nl
www.scheidingsweg.nl

KvK   : 12061176